Heute leider kein Foto für dich
Essay | Arnhems Museum

In het Kunstmuseum Liechtenstein staat een jonge, vrouwelijke zaalwacht met haar rug tegen de muur, haar hakken tegen de plint, precies tussen de ingang van de zaal en het informatiebordje van kunstwerk nummer 46: Stefan Hurtig (*1981), Challenge 2012/2014, HD video, sound, visual display unit, engine, chains.  
Midden in de ruimte hangt een plasmascherm van bescheiden proporties, dat met twee meterslange kabels aan het plafond van de museumzaal is bevestigd. De monitor draait traag rondjes om zijn eigen as. Op het scherm doemen uit een zwart vlak bewegende, roodgestifte lippen op waar de stem van topmodel Heidi Klum onder is gemonteerd.

Heute habe ich leider kein Foto für dich
und deswege habe ich leider kein Foto für dich
es tut mir leit aber ich habe heute kein Foto für dich
Ich habe leider heute kein Foto für dich

In het televisieprogramma Germany’s Next Topmodel strijden twintig meisjes om een modellencontract van €100.000. Aan het einde van iedere aflevering krijgen ze een voor een te horen of ze goed genoeg gepresteerd hebben om naar de volgende ronde te gaan en als dat zo is wordt hen een foto overhandigd waar ze zelf op staan. Voor het laatste meisje dat naar voren geroepen wordt eindigt de droom, zij mag niet door en krijgt geen foto.

es tut mir leit aber ich habe heute kein Foto für dich
und deswege habe ich leider heute kein Foto für dich

De zaalwacht maakt zich los van de muur en loopt een stukje de ruimte in, ze recht haar rug, draait haar polsen naar binnen, naar buiten en loopt weer terug naar haar plek. De stem van Heidi Klum vult de hele zaal, kaatst heen en weer tussen de hoge, witte muren. Steeds hetzelfde zinnetje, soms een woord erbij, soms een woord eraf, een net andere nadruk, een afwijkende intonatie. De ene keer klinkt haar stem berouwvol, de andere keer pathetisch, koud, spottend bijna. Jij bent niet goed genoeg, is wat ze eigenlijk zegt. Jij bent niet goed genoeg, een zichzelf herhalende afwijzing waar de zaalwacht haar volledige werkdag niet aan kan ontsnappen.
Iedere bezoeker die naar het kunstwerk kijkt en luistert, zal na een poosje niet langer alleen het ronddraaiende plasmascherm zien, maar ook het meisje. Al heeft de zaalwacht zichzelf misschien afgesloten voor het geluid, haar hoofd meer bij het sigaretje in de eerstvolgende pauze dan bij de kunst die ze moet bewaken, dan nog zullen de bezoekers haar onherroepelijk aan de woorden verbinden, haar als onderwerp zien. Ze zullen opmerken dat er een knikje in de neus van het meisje zit, dat haar oren niet op gelijke hoogte aan haar hoofd zitten, dat ze een doffe huid heeft, brede heupen en voeten die naar buiten staan. Ze zullen al gauw besluiten dat de zaalwacht veel te klein is om een supermodel te zijn. Es tut mir leit, aber heute habe ich leider kein Foto für dich. 

In een commencementspeech uit 2014 vergelijkt de Engelse auteur en essayiste Zadie Smith de studenten die voor haar zitten met de studenten waar ze zelf tussen afstudeerde in 1997. In een paar scherpe pennenstreken reduceert ze de jaren negentig tot een tijdperk waarin iedereen ervan overtuigd was het alleen te kunnen. Waarin het belang van individualistisch denken je ’s ochtends al begroette vanaf de shampooflessen en deodorantrollers in de badkamer, waar slogans op stonden als: be yourselfbe boldbe yoube different. Waarin het een natuurlijk streven was om een van de weinige, in plaats van een van de vele te zijn.  Ze beschrijft hoe haar generatie zich door die gedachte isoleerde en tegen problemen aanliep: ouders werden oud en ziek, kinderen moesten naar school en kunnen opgroeien in veilige wijken, ze wilden treinen die op tijd reden, kortom: ze hadden elkaar nodig. Exclusiviteit bleek lang niet altijd beter, het bleek vooral eenzamer.
Met die gedachte in het achterhoofd kijkt Smith vervolgens naar de generatie Millennials die voor haar zit en ze constateert een hoopvolle verandering. Deze generatie, zegt ze, is zich er van bewust dat er een hoop grote, collectieve taken in het verschiet liggen die alleen door een gemeenschap te volbrengen zijn. Het klimaat, de economie, het steeds groter wordende verschil tussen arm en rijk, die problemen zijn urgent, en kunnen niet langer opzij geschoven worden. Deze generatie erkent zijn plek als individu binnen de gemeenschap, in plaats van buiten of zelfs boven de gemeenschap. Generations are defined by the projects they take on together, zegt Smith, en dat begint bij het naar buiten keren van de blik, het aan de kant zetten van een ego, de wil je voor een ander te interesseren, je over een ander te ontfermen.   

Wie op internet zoekt naar een definitie van de Millennial, zal vooral artikelen vinden die beschrijven hoe onmogelijk het is de Millennial te definiëren. Eén variabele staat in ieder geval vast: de Millennial is geboren vóór 2004 en na 1982. Of 1976. Of een van de tussenliggende jaartallen, daar zijn de wetenschappers het nog niet helemaal over eens.

Wij Millennials, wij zijn de laatste generatie die uit ervaring weet dat de wereld ooit prima functioneerde zonder internet. Het geluid van een modem of een fax brengt ons direct terug naar onze kindertijd. We weten dat het kriebelt als je je pink in een van de gaatjes van een cassettebandje steekt, we veroverden onze eerste liefdes door een cd’tje te branden met onze favoriete muziek en we hadden allemaal ooit een Nokia 3310, niet per se om te bellen of te smsen, maar om op te kunnen snaken.
We dragen oortjes zoals onze ouders brillen droegen, als een prothese. Een hulpstuk dat aan modetrends onderhevig is. We zijn ambitieus, niet lang en niet snel tevreden, de woorden keuzestress en faalangst zijn speciaal voor ons uitgevonden en ons morele kompas ontlenen we aan de Disney-film die we het vaakst hebben gezien. We groeiden op in een tijd waarin de staat een verzorgende moeder was in plaats van een vijandig en ongrijpbaar orgaan. Een tijd van relatieve rijkdom en oneindige mogelijkheden en we weten dat die tijd nooit meer terugkomt, daar kunnen we de ons voorgaande generaties voor bedanken. We vinden dat Facebook onze privacy niet zomaar mag schenden, tegelijkertijd zijn we niet graag onzichtbaar. Anonimiteit jaagt ons angst aan, omdat het gelijk staat aan onbeduidend zijn. We leven graag buiten de deur.
We zijn vergroeid met eindeloze informatiestromen. Onze blik is naar buiten gericht, al is het via de schermen van onze telefoons. We hebben op ieder moment van de dag toegang tot alle uithoeken van de wereld. We weten dat beelden en woorden vaak niet echt zijn, maar een verdraaiing, een overdrijving, een artefact van Photoshop.
We houden niet van alle bovengenoemde clichés. Schetst iemand de omtrekken van een groep dan is onze eerste reflex daar niet bij te willen horen. We categoriseren elkaar aan de hand van series die we kijken op Netflix, beoordelen elkaar op de lengte van ons Linkedin-profiel. We herkennen elkaar aan de biologische producten in onze keukenkastjes, aan een tussenjaar fruitplukken in Australië, aan het antwoord ‘druk’ op de vraag hoe gaat het,  aan de wens altijd extravert te willen zijn, maar we herkennen elkaar misschien nog wel het meeste aan een vreemde soort onhandigheid die we met ons meedragen, het constante gevoel in meer of mindere mate overrompeld te zijn.

De vraag die aan deze tentoonstelling ten grondslag ligt is: hoe verhouden jonge kunstenaars zich tot de wereld om hen heen. Het impliceert dat het overbodig is je af te vragen óf jonge kunstenaars zich überhaupt tot de wereld om hen heen verhouden. En misschien is het juist die vanzelfsprekendheid die deze generatie definieert. In dat opzicht zijn we allemaal zoals de zaalwacht in Kunstmuseum Liechtenstein, gestoken in een zwart colbertje dat onze schouders breed maakt, een naambordje op, onze haren glad naar achteren. We kunnen toekijken of ergens naast staan, maar ook in die rol zijn we onderdeel van het speelveld. En als we dat zelf niet kunnen of willen doorzien, dan zullen er anderen zijn die ons daarop wijzen. De werkelijkheid is een gigantisch plasmascherm dat met twee meterslange kabels aan het uiteinde van het universum is vastgeknoopt en traag ronddraait, er klinken stemmen uit de speakers die zichzelf constant herhalen en de vraag is niet langer waar in de zaal we het veiligst staan, waar we aan het geluid en de beelden kunnen ontsnappen, maar hoe we er structuur in kunnen aanbrengen, haar van betekenis kunnen voorzien, er kritisch naar kunnen kijken, verbanden kunnen leggen. Hoe we ons erover kunnen ontfermen.


Heute leider kein foto für dich werd geschreven in opdracht van het Arnhems Museum en was een onderdeel van de catalogus voor de tentoonstelling Millennials oktober 2016 - januari 2017